340
en hoogere kringen, onder hevige ontberingen vaak vóór dat volk streden en tot de vernederde massa gingen behooren; zóó, dat zij door strijd- en levenswijze er niet meer van mochten worden onderscheiden. Ook in Holland, voor zoover Manus wist, waren veel belangrijke leiders van niét-proletarischen oorsprong: Troelstra en Gorter, Domela Nieu-wenhuis, Pannekoek en Van Ravesteijn, Wijnkoop en Men-dels, Wibaut en Van der Goes, Kuyper en De Ligt, Mevr. Roland-Holst en Kleerekoper, Bongers en Van der Waarde, Saks, De Roode en Ankersmit. Hoewel deze allen, begreep Manus, zonder de arbeiders het luttelste niet zouden hebben kunnen uitrichten; niets zonder de slavenmassa en de verworpenen, die hen door hun lot tot opstanding hadden gebracht; die hen met strijdbewustzijn hadden bezield; en hoewel er onder de proletariërs zelf, geweldige karakters en begaafde geesten waren opgestaan, die de intellectueelen voorgingen in kennis, levensoffering, idealisme en zelfverloochening; en hoewel dié de eigenlijke stof voor het gemeenschaps-ideaal der leiders, uit het burgerlijke kamp tót hen gekomen, saam-brachten; hoewel zij dezen, ondanks meerdere kennis en beschaving, dwóngen hun eigenschappen te versmeden tot pro-letarisch-bruikbare wapens, — van huis uit konden de meesten der overloopers, de hevige smarten, nooden, angsten en vernederingen van het volk nooit en nimmer méé hebben geleden.
En toch was het overweldigend en verheven, te ervaren hoe een man als Marx met armoede en ontbering worstelde, om zijn ideaal getrouw te blijven, al hoorde Manus nijdassen giftig lasteren: natuurlijk speelt hij voor zoetevaar, alléén om zijn stelsel te zien overwinnen. Het was een wonder dat deze volksstrijder, met een Pruisisch minister tot zwager en een gravin tot vrouw, met rabbijnen en rechters tot naaste bloedverwanten, dus eigenlijk nog benard gekneld met de flanken, tusschen burgerdom en feodalisme, toch onder en voor het proletariaat bleef vechten. Met de albedwingende macht van het iederen-weerstand-verbrokkelende lot, scheen hij te