293
ling, bedriegster, verraadster, misleidster, kermisgoochelaar-ster, gekke, zieke, idiote, laffe, schurkachtige, misdadige volksverdoemster. Het duizelde Manus! O, nogmaals, hij was een groentje in dat leven.... En toch had hij, in zijn diepste wezen, schandalig-lang maling aan de meeste maatschappij-zieners, koene toekomst-voorspellers en verledenschouwers, die z.g. historie-lessentrekkers uit het gebeurde en profeteerders van wat nog gebeuren moést.
Manus herhaalde voor zichzelf: waterverf... knappe, heel knappe kerels, prachtige bollen, ontzachlijke kakelaars, sprekersmet-vuur. O, geweldig, geweldig al die dwepende opstuwers en opstooters, vonnissers en rechtsprekers; die vrije offeraars, die verontwaardigden en fel-toornenden. Maar ook dié wisten er allemaal niets van! Niemand kon voelen hoe op hachelijk-ste en hoogste oogenblikken, de massa zou handelen en hoe de maatschappij zou reageeren. Manus bleef hevig maling hebben aan al die voorspel-theorieën en dat sociale zienerschap van enkele strijders voor de menschheid, die in hun heilige razernijen het zoo heel erg wisten, hoe het wereldgebeuren in zijn gang zich zou ontwikkelen.
En ook al die theorieën en lessen en geschiedenis-vergelijkingen, en al die hooge, economische beschouwingen, o, Manus las ze en verwerkte ze wel, doch wat hem nu allerhevigst tot den strijd trok en wat hem een schok had gegeven: het was allereerst het besef van de grootsch-menschelijke idealiteit der volkerenworsteling zélve. Dat gaf Peet koude rilling op rilling. En ook die koude bibberijen beteekenden nog niets. Maar dat het wrikkeloos nu in zijn hersens en in zijn hart zonk: de menschheid vecht om haar toekomst,.... dat bracht inéén die geluksduizelingen. Grondeloos-geheim-zinnig en overweldigend vond Manus dat treden van het internationale proletariaat uit haar donkerte en levensverwarringen. O, die gesmade ״opmarsch" van het gepeupel, hoe zouden d'opstandelingen den hemel in brand laaien aan allen kant, rood, rood. rood omschijnen en onderdompelen in