283
en koeler hardvochtigheid, bij veel wrangere eerzucht. Ijzingwekkend leek hem Marat in zijn ontzettende verachting van adel, Hof en aristocratie, en in zijn galdonkere, chaotische gram tegen alle volksknevelarijen. Maar Robespierre's gluiperig en sluiperig afwachten van het snel-berekende uur, het oogenblik van wraak en tuchtiging, voelde Manus als verfijnde uiting van oneindig wreeder instinct. O, Manus genoot van het heet-vlammende woord- en daadgeweld dat er oplaaide, telkens weer, tusschen Berg en Gironde, doch de onmeetbare haat en de woest-omverbliksemende kracht van Marat tegen de sluwe temperaars der Girondijnen, werden in Robespierre een geronnen drift, waar geen grein breide-loos opstandingsgevoel meer in trilde. Saint-Just was de bleeke, sombere gluiper, de sluwe omdoler rond Robespierre, maar Manus minachtte zijn vleierij en het trotsche spotgrijnzen in zichzelf. Robespierre was voor Manus de kilste, meest mee-doogenlooze natuur van al de revolutiehelden. Wel een zonderlinge dooreenmengeling van koppige vasthoudendheid, bedwongen razernij, nervige traditie en revolutionnaire passie; wel een wild beest dat keurig zijn gebit poetste; wel een sinjeur die boven de dierlijke woedestem-brul-lingen der Sansculottes zich wist verstaanbaar te maken met sterk-klinkende zinnen en hoofsche phrazen. Zóó hoorde Manus Marat, den bloeddorstigen razer, nooit ironisch en scherp-bijtend spelen met het vonnissende en dood-brengende woord. En ook Danton niet. Manus minde Danton het meest. De stormige hercuul had in zijn woord die ontzettende stuwing, die heilige overgave, die innerlijk-grenzenlooze krachtverspilling, die Manus zoo roerde en zoo sloeg, wijl ze eigen behoud niet telde. Danton zag Manus, in al zijn zwakheden en gebreken, met al zijn terughuiverende bezinningen en aarzelingen, tóch als een diep-eerlijk, een groot-vurig mensch. In Danton's temperament openbaarde zich een orkanische natuurmacht. Hij was onder al de vlagzwaaiende opstandelingen, de eerste gebinten-losrukker. Manus hoorde het zware