294
Manus bekeek Marat van allen kant. Hij wou zich bij de schiftende beoordeeling van dien huiveringwekkenden mensch, geen oogenblik laten opjagen door het dwarrelend dazen van enkele lichtschuwere, van heete hooners en gifbereiders, uit het kamp der lastervijanden. Hoe Manus Marat bezag, het zou, eenmaal geuit, ook weer niets anders zijn dan een broze menschenmeening, een inzicht, een karakter-ontleding van een schepsel dóór een schepsel dat zelf weer, op zijn beurt, in al zijn duisternis en tegenstrijdigheden stukgerafeld kon worden door andere begrijpers en zielsvorschers. Doch in ieder geval begeerde Manus over Marat te denken, buiten invloed van partijhoofden, buiten het vooringenomen gewauwel van laffe zwetsers en verdachtmakers der burgerij. Hij nam Marat's eigen hevige geeselwoorden in zich óp en toetste die aan al zijn handelingen en heel zijn levenswijze. Zoo verkeerde Manus dagen en nachten met dezen vulca-nisch-levenden man, die menschen-moordende decreten uitvaardigde in de schijnbaar-lichtzinnige gemakkelijkheid waarmee een ander argeloos kattebelletjes teekende. En Manus bleef in een kwel-onrust, wijl hij telkens andere en telkens tegenstrijdiger eigenschappen in dezen duivel-met-hevige-menschendeernis ontdekte. Manus vond het een fel-prikke-lend, bijna sarcastisch genot, in Jean Paul Marat allereerst een creatuur te zien, dat van alle voos-weeë en sentimenteele aarzeling en halfheden gespeend scheen en dat rauwweg spuwde op valsche menschelijkheid en leugenachtige verteederingen. Marat was een wreed-vermetele, een onstuimige den eenen, een listige, omzichtige spinnewebber den anderen keer. Hij leek soms even bandeloos kweller als bedachtzaam uit-loerder naar wraakmiddelen. Soms kon hij handelen, zooals Manus het bij tallooze misdadigers had gezien: ijzingwekkend handelen en denken in één moment; bij wie gedachte, drang en daad zoo ontzettend snel saamvielen en zoo onverbrekelijk ineenstrengelden, dat aarzeling en twijfel, overpeinzing en bezinning, geen verzwakkende werking meer