279
ellende en menschenvernedering. En hoewel Manus Peet sidderde voor den vuurgloed waartusschen moordbenden en losbandige straffers als donkere duivelen dansten; hoewel hij huiverend ineenkromp voor het oceanische geweld van deze zwalpende massa, die alleen na gezamenlijke wrekersdaden den aardbodem deden trillen, tóch waren ook zulke nachtelijke orgiën van gerechtigheid niet in staat hem zóó in de ziel te grijpen. Het was méér nog de geheimzinnige zekerheid die in hem groeide, dat er in het volk en in de menschheid zelf een kern brandde, die niet gedoogde dat gruwel, misdaad en onrecht blijven zouden. Onder stuiptrekkingen en geweldenarijen, onder moord en bloedstorting bewoog zich die verbijsterde menschheid, die eenmaal losgebroken, als een onbeteugelbare natuurkracht verminkte en deed ineenstorten.
Gelijk een bijbelsche oordeelsdag brak het gericht los en de dagen werden verslonden door de nachten, om bij den woes-ten opstandingsgloed der flambouwen het bacchanaal van de ziedende bloedwraak te vieren. De dierlijke waanzin der vernietiging greep al verder rond. Het werd een gedrochtelijke neertuimeling van onthalsde menschen over elkaar heen, vanuit de ijzig-blikkerende hoogte der schavotten; het werd een dolzinnige vertrapping van de weelde. Manus Peet stond midden in de vulkanische vuurkolkingen. Hij zag niets dan het rood van den Parijschen brandhemel boven zich en het rood van het menschenbloed onder zich; slijk en bloed door gulzige straathonden met zieken asem lauw van de dampende keien gelikt. Het bleef een toesnoering, een wurging van alle leven, een verstikkende beklemming; het leek zijn nachtmerrie, maar nu door de geheele menschheid gedroomd. Het was alsof de aarde, de hemel en al de hemellichamen meededen aan deze komeet-gloeiende zwirreling van menschenmoorders en alsof uit de donkere schootdiepte van den grond zelf een nieuw, alles-omschokkend rhythme werd geboren waarop de dingen vielen en neertuimelden, waardoor ze barstten en vaneen-