269
II
Manus in wezen te nederig om nederig te willen schijnen.
Manus had werken van vele groote geesten in vertolkingen gelezen. Hij wist natuurlijk niet precies hoe die menschen in hun eigen taal zich uitdrukten, maar hun diepere, aan geen woorden gebonden wezenskenmerken werden hem toch ook in dezen vorm onthuld; zooals hij uit de koele of trillende schoonheid van Corry's stem, al luisterde hij niet eens naar haar verrukkelijke ijdeltuiterijen, of spotstriemingen of bij-geloovige vreesstemmingen, hoorde wat zij op dit oogenblik verlangde. Wat vond Manus nu bij de groote geesten over nederige zelfschatting, over het ״verwerven van innerlijken vrede"? Op een communisten-vergadering had hij daarover nog pas gesproken met een kunstenaar-denker, die altijd zoo donker kon grommen. Diens meeningen werden zwaar op Manus' ontnuchterd hoofd neergehamerd. Zocht Shakespeare, zei deze koene vergelijker ongeveer,—in zijn leven louter God en het heil zijner ziel, hij die in zijn sonnetten zwol van heerschers-trots over de onsterfelijkheid van zijn scheppend-voortbrengend genie? Zocht Goethe de nederige zelfschatting, hij die in zijn leven rillend gruwde bij het zien van het bebloede schandhout, en botterikken slechts bescheiden noemde? Zocht Nietzsche nederige zelfschatting, hij, tartende zelfbekroner van en heildrinker op eigen gaven? Zocht Beethoven in nederige zelfschatting zijn kunst, om een louter godgewijd leven te lijden, hij die de wereld verachtte zoodra ze de onpeilbare diepten van muziek niet verstond? Heeft Wagner de voorbijgaande vreugden geweerd en zijn geweten buiten de verlokkingen der zonde gedrongen? Was Michelangelo niet nog hoogmoediger dan al zijn gebeeldhouwde titanen-gewrochten tezaam en onderwierp Schopenhauer in nederige zelfschatting zich aan het menschelijke lot? Leefde Petrarca zonder roem-