244
Hun lijfelijk omhulsel moest als doorschijnend worden. De menschen waren meer dan rotsen, bergen, rivieren en zeeën tezaam. Zij waren dragers van het heelal. Zij reikten elkaar den adem van het eeuwige over, en zooals geslachten eikaars bloed en zenuwen in altijddurende wisselwerking van stof en organen overdeden in een wonderbaarlijken groei, zoo ook gaven de menschengeslachten eikaars ziel en geest over. Een wilde, versierd met oorbellen, hoornen kammen en glazen armbanden, bezat evengoed den zin voor een onverwoestbaar behagen als de weerzinwekkend-gepommadeerde en chic-schunnige heertjes der vlakte, die Manus in vieze ziekte had zien wegkwijnen en verleppen onder hun brillanten spelden en hun zijden hemden. Er was een nieuw bewustzijn in hem ontstaan, dat het oude ondermijnde: de menschen wilden, eischten het betere lot. En toch begreep Peet het niet. Het proletarische bewustzijn, dat de meeste menschen naast en om hem als iets doodgewoons en begrijpelijks voorstelden, leek Manus, naïeven mijmeraar, een ontstellend wonder en een ondoortastelijk mysterie. Nog onlangs had hij gesproken met een sociaal-democraat en dadelijk was deze met knetterende vergaderings-welbespraaktheid losgebarsten:
— Gemeenschapsgevoel is alles ... solidariteit, Peet. Door solidariteit kan het geheele proletariaat eerst handelen. De arbeidersklasse wordt onderdrukt door de bezitters ... Wekt in de arbeiders het bewustzijn van hun macht en zij hebben de wereld en al hare ellende en tegenstrijdigheid overwonnen!
En Manus, stilletjes, lachte een beetje hoonend en een beetje ouderwetsch-sarcastisch. Hoe lief toch dat gele kanarietje floot. Als een palmegoone het hoorde werd hij er krolsch van. Gemeenschapsgevoel... iets voor Jan Gouwenaar en Mooie Karei! En voor de logementgasten in het Tuinstraatkrot, die kniesden onder zelfverwijt en smartelijk schijn-berouw. Solidariteit... en voor den moordzuchtigen geweldpleger Scheele Berrie de Wurger, die zijn prooi den strot
Palmegoone: zwerver, afgedankt koloniaaltje.