213
pletterde hem. Haar roekelooze opwelling van het oogenblik deed hem duizelen en haar wildheid wankelen, en als zij daarop neerslachtig inéénzonk, dan kon hij wel grienen en dan toonde zij nog tartender minachting voor zijn onverborgen verdriet en zijn gaperige verblufïing. Zij hield niet van aandoenlijkheid en van zinnelijke stuiptrekkingen over een mannengezicht. Zij hield van een gelaat, zoo strak als een steenen stoep. Stilletjes en fijntjes-omzichtig probeerde Manus wel eens, naar hij meende zonder in verdenkingen te geraken, Jan Gouwenaar het verbijsterende en grillige van Corry's binnenste te laten zien. Maar dan kreeg hij juist pats! den wind van voren. Want dan dacht de onkiesche en opvliegende goejerd, dat de Bochel Corry wou belasteren uit afgunst op hun vriendschap. Dus ook dat moest Peet nalaten. Met Jan Gouwenaar spreken over Manus' eigen liefdepijn en over zijn helsche smart en verlangen dooreen, dat bleek nog minder mogelijk. Hij zou nog eêr met den zeeman over Thomas i Kempis en over alles wat er zoo dwars in de wereld ronddraaide, kunnen keuvelen. En toch werd Peet's deernis met den vent steeds dieper. Want met al zijn woeste oproerigheid bleef hij innig-goedhartig en van het zuiverste meelij. Jan bezat nog onbedorven bloed. Ook hij, Jan, moest de deern uit zijn hart kwijt. Nog nooit had Peet een mensch gezien, zoo ineenkrimpend onder den snerpenden spot en het afstootend-koud-harde van een vrouw, als Jan Gouwenaar onder het bitse, vlijmende woord van Corry. Neen, zij kón zoo een getimmerte niet luchten, zij die zich met een verfijnde giftigheid wierp op intriges en daartegenover het aangapende, onnoozel-goedhartige bakkes van Jan moest verdragen. Met een toornig ongeduld stond zij hem te woord en Manus voelde, dat zij vergelijkingen maakte tusschen het zengende van Mooie Karei, het lenig-rappe en bekoorlijke van zijn wezen en de sloome traagheid van Jan's stichtelijke bewegingen. Corry hield van Karel's trotsche haatdragendheid, van zijn onverschillige en verraderlijke avonturen. Maar deze botte Jan snapte niet dat in zoo een oppervlakkig-luidruchtigen