ZESDE HOOFDSTUK.
I.
Kind en Bochel: Bromtol en Manus Peet.
— Aume ... aume Bochel... ikke bin 't... ikke!
Manus Peet schrok óp. Door het broos-bewasemd zolderruitje zat hij, wereldvergeten, ver-wegdolend te peinzen en uit te staren over de goudtintige Schinkel, die vriezend-klaar en koel-blauw, golverig te woelen lei in de wintermiddagzon.
— Wat nou ? ... Was dat niet... gossiejeemie,... dat was Dirkie, de Bromtol, het straatschendertje uit het gezin van Frans Leerlap!
Manus voelde een geluksbons op zijn hart. Met een wilden blijdschapssprong hurkte zijn inééngedrongen, korte karkas vlak voor het vlieringtrapje saam.
— Bin jij 't Bromtol?
— Aume,... belam,... ikke aume ... ikke bin 't,... klonk haperend en dof een heesche jongensstem uit de duistere diepte van het benedengangetje.
— Kom óp jonge!... noodde Manus vriendelijk,.., maar stoot je petje nie.
Belam: in orde.