96
spitse torens en torentjes onder het flikkeren van de nokhaan-tjes, waar Manusje zinnend naar bleef turen alsof hij zóó van de keitjes op de b.link-wiekjes kon overspringen. En middenin, het eeuwig-bewegelijke IJ, de hooge, walvischachtige koopvaarders, de getuigde oorlogsschepen met de donker-gerichte affuiten. Wa&r hij ook landde of insloop, aan Ooster- of Westerdok, bij Entrepót of Rijks-marinedok, Manusje hoorde niets anders dan het zachte kabbelklotsen van fonkelgolfjes en deining tegen steigerhoofden en paalgordingen, terwijl er een zoet-verdoovend suizebollen door zijn ooren ruischte, van geluk en blijdschap. Voor hooge stoepjes van stadsherbergen, zag hij nog veel kleinere wichten dan hij, rondedansjes spelen in de zon en hoorde het spijbelaartje klare kinderstemmetjes zingen:
Taurentje, taurentje, bossekruid, Wat hangt er uit? Een gouwe fluit, Een gouwe fluit mit knaupe, Het taurentje is gebrauke ... Manus' eigen aftelliedje wipte weer door zijn hoofd: lene-me-tiene-me-tip, Eén, ik hou de kip ...
En hoe meer hij zijn zwerftochten uitbreidde, ver, heel ver, naar de Rietlanden, naar de afgelegenste petroleum- en houthaven-hoeken en scheepstimmerwerven, van alle zijden naderde hem weer het geraas van ontzachlijke laadkranen, het wielknarsende en schurende gerucht van machine-zware, loom-bewegende loswerktuigen. Van goedhartige werklieden kreeg ״bleek bultje" wat snoeiduitjes en mocht hij slurpen, koude koffie of water uit hun blikken kruiken. Leutig-eigenwijs snapte hij soms wat met zeil- en mastenmakers en allerlei vaarvolk, dat schik had in zijn spitsige schalkschheid. Bocheltje bestudeerde de namen van alle vaartuigen en van alle smakschepen, en stramme jollebazen hielp hij, naar het viel, kwiek en lenig bij het haak-ankeren. Met het Tolhuis-