287
zee. Het licht stond er voor te beven, te sidderen, kroop en boorde driftig in de kelken, als hommeltong in honingmerk, bruiste er rond, dronken-zwaar van geuren, smolt er in het bloemaroom. Heele zeebrokken paars, op licht groen blader-loof, golfden aan, zangerige symfonie van licht, naar è.1 dieper blauwpaars, tot plots in anderen akker, de vloed terugsprong in donkere deining van rood, tusschen schuimenden sneeuwval van witte hyacinten, midden in. En rond die blanke lawine, op doorschijnend loofgroen, dat te flitsen zilverde in zon, bronzen, kaneel-doorpoeierde kleuringen, wulpsch-roze, zoete brand van roodbruin en lila. Stoetjes van uitrookende geur-klokken, iegende-doorwaasde feeërie, kleurfestijn in 't sprokenland....
Rondom, één wijde aanspoeling, aangolving van kleur-klokjes, <üe sidderden, zwollen in 't zonnegoud, brand van bloemen, in al gamma's; kleurwemel die koortsend te zingen, te ijlen lag onder azuren lichtteeren Meihemel. —
Maar feller nog, rond half-verdorde hyacinten, festijnden met hun rook-rooden adem, de grootere, fellere kleurenbrand van tulpen, die lichtfeest vierden pas. Als een orgie van vlammen, kroop, sloeg, rilde, leefde, ijlde 't licht daar op de aarde.
Héél-stille groene hoeken, stil van sappige moestuinteelt, in Meizoeten toon, aan greppels en beekoevertjes, in lentepraal volgestrooid met druipglanzende boterbloempjes, omzoend van onschuld-madeliefjes met d'r gele koontjes, naïeve kijkertjes, halsjes-rekkend uit 't malsche grasgroen, tusschen de fijn geschulpte akkerhoorn, — heel die stille hoekjes, teer wit, broos wit, sneeuwspatjes rond gouên vonken in 't klare groen, — lagen plots verdrongen door vlammenbrand van tulpen, helsch-hevig en schroeiblakerend, als levende kleurkreet; vermiljoen, daar aangeblazen tot hellevuur in kelken, vlammen die in wondren brand, zichzelf styleerden in levend spel van vonklijnen, uitlekten en rank weer opgroeiden tot flonkerende wijnschalen, op blauw-waas van loof, grijs-zacht bedauwd. Heel de bosschage, duin-woest, op hooge glooiingen uitgegroeid boomgroen, wild hakhout, met z'n sier van roze en witte koekoek, z'n blanke lafenis van vloeiend vogelenmelk, z'n slanke waterster, — lag