:433
mén uitgebrand!... Ikke bin geen Sonnepoeser en geen blompotter! Ikke ken nie alleenig van 'n paukeslag leve... nega!...
Josua's oogen lichtten wild-hel. Een tragische kracht vergrootte heel zijn wezen.
Salomon keek beklemd naar zijn broer óp.
— Versta wél... ja, ik zal me daar me Sabbah, me heilige Sabbah schrende!... Ongraag!... Maar, maar... ik heb niét te éte!!... Dan is 't water me graf!...
Josua stotterde:
— Hoor... hoor es!...
Salomon ronkte er tegenin, om zich uit zielenood te redden:
— Ze doene 't allemaal teugeswoordig!... Ploege en zaaie... Ze geve er niks meer om...
Josua, ontzet, herhaalde:
— Allemaal?
— Nou ja!... Allemaal,... kijk nou nie zoo attor-dide... allemaal zeg ik... nou ja,... behalleve van Betsalêl... spreek van zeivers... de rechte soort, versta wél... Maar de andere geve er niks om!... Com-prinde?...
Diep sneden pijngroeven Josua's afgemarteld gezicht in...
— God zal eens zijn wraakgericht geve...... De
Eeuwige die in gerechtigheid spreekt!...
Pappig teemde Salomon's stem nu:
— Zwijg stil, Jozewa... Ikke... ikke straf mezelf al •genog... ikke balboos, maar stoethaspel... in me eige
gezin! Maar ikke...... ikke heb nie te comeere,
Jozewa... ik leef nou alleenig van 'n matanah. Versta wél... ikke verlang geen mergtaart... Me geschmadder rachen is al tevreje mit me sjaletpot!...
Josua, éérst smartelijk-wanhopig, wriemelend-zenuwachtig, sprong uit zijn rieten stoel; begon zijn armen, ontdanen broer toe te spreken en bijna fluisterend-zacht te bezweren in bangen nood. Het zou een hoon zijn, een vreeselijke slag in het gezicht van de heele familie, van de heele Snooge! De verdade! Het heiligste wat ze hadden, de Sabbah, aótsje prijsgegeven! De dag dien de Eeuwige zelf had gezegend,
Comeere: eten (Port.). —Matanah: gift. — Geschmadder rachen: verwende tong. — Sjaletpot: Joodsch gebak. — Gotsje: zoo maar.
Van armen en rijken 28