:293
de eigenlijke schepper en bron van verdienste was geworden, doodeerlijk, hoogst betrouwbaar en onovertrefbaar in doorzicht en handelskennis; dat Henri met alles-beheerschende geestdrift, de zaak behartigd had, zonder aanzienlijke vergoedingen; dat Henri ook door zijn hooger plichtsbesef, door zijn organischer, energie-en-kracht-bijeenbindende persoonlijkheid méér zou bereiken dan Durant ooit van en voor zichzelf mogelijk had geacht.
Durant plonsde al wilder. Mompelende ״Co" tastte gelijk een gescalpeerde naar zijn ontsleten-atheïsten-wanhoopskop. Henri bleef, zijn volwaardigheid beseffend, onberoerd; voelde in den ziedenden toorn primaire zelfzucht gloeien en sprak nu koelbloedig over beider afstootelijk leven, met scherpe, snijdende stem. Rozenheim wilde geen banket voor brood, maar ook geen zwart gruis voor steenkolen. Hij begeerde tenslotte nóg geen splijting in zaken-verhoudingen. Maar hij had recht op veel grootere erkenning van zijn arbeid. Hij werkte voor een gezinsgroep. Hij mócht overal eigen belangen zoeken. Dat „meer" werd hem geweigerd. Nu moést Henri wel elders vinden. Hij vertrok, onder verwenschingen.
In stilte had Henri Rozenheim zich met Tonkvrouwe Esther Suasso y Arias da Silva verloofd. Zij was reeds een poos uit Florence met haar spichtige ouders, naar Amsterdam weergekeerd. Henri aanbad Esther, die hij vertroetelde en overrompelde met zijn mildste wezen. Niets was goed genoeg voor haar, dat verlokkende wonder van mooiheid... Hij deed, alsof Jonkvrouwe's armoede niet bestond. Alles wat hij bezat, wat hij won, kreeg, was van en voor Esther. Ze duizelde en Henri popelde. Hij verlangde heel spoedig te trouwen. Zijn levens-instinct stuwde hem naar het gezin. Voor twee familie's had Henri nu fundamenteel te zorgen: voor zijn ontgoochelden vader en maat-schappelijlc-sukkelende broers en zusters; voor Esther's zwakwillige, toch verstokte ouders, wier on-intellec-tueele, „hooghartige" zelfstandigheid hij al lang doorgrondde.