270
lend voor hun begeer-oogen. Nou kwam de kermisgloei die ze bekroop als 'n achtdaagsche koorts, 'n krisis van hevig leven bracht, waarin ze uitbarsten en verz-yvijmelen zouden, zich rollen, met hun zware boerenpassie, in de modder van diergenot. Daarin zouden ze zich wreken öp bijeengespaarde woede, haat en wrok. Nou mochten ze vechten, mokeren, zuipen, geilen.
En overal koortste 't lied uit, zongen ze op de akkers, in de straatjes, zalige onbestemde dwarrel van ronkende geluiden; krijsch naar genotsroes die opvuren kwam. Hun wreede kelen raasden, en verschalden kermiszang van 't vorige jaar. En klankengalm bevend en rauw van hartstocht, verschorde over 't grauwend-zomersche land.
Ouë Gerrit vloekte tegen de kermis die z'n boel nog meer ging verpesten; de kerels lambeuken zou van vermoeiing, slaperigheid en hangerigen kregel. —
Dat ging nou opstormen, dwars door 't zware boonenwerk. Maar toch wilde ie smoren z'n razernij, want hóórden ze'm grommen, dan zouden ze'm vast heelemaal laten stikken met den grooten haal, in de blakerende kermisjool. —