ió2
boven de banken. — Meer kerels stapten op, met d'r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder 't felle lichtgat uit kajuit-schemer, aangloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.
Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel. los over 't dek.
III.
Tusschen gewar van melkbooten aan 't Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover ,,Tuinders Geluk", waren al de drie andere booten, binnengeankerd.
Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den ,,netoares" kreeg elk veiler 'n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland. —
In gistenden warrel, als 'n opgejaagde horde begon uiteen-kluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen. —
Aan den walkant, in 't zomeroch tendgloeien, wemelde 't van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z'n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gil-lerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote^Zeedijkers en stadsventers,