io6
seur.... Jaack Rözel.... Seni-or.... zijnèn vader., te Mon-tabilie.... begraven.... mèt muziek.... en militairen eèren.. Allen kennén.... Jaack Rözel.... Juni-or!.... wien ik.... dén eèren heb.... hiér tè zijn.... Voor wièn ik. ... Hedèn.. mijn beproèvingen.... zal amploi-jèèren !.. ..
In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd öpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als heilege-kerm ; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrand. Er voor krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen öp, onder 't lommergroen uit, — waar 't nu dampte van stanken en broeinevel — opdringend in woesten stoei naar den Jood. —
In strammen staar bleef kring om 'm heengepropt, loerig wachtend op z'n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z'n stem, gemarteld van moeheid. —
— Ik.... Jaack Rözel, woonachtig te Rottèrdam, gènees. U.... van allen pijnèn, allen wervèl-, allen gezichtspijnèn, van krampèn.... zoowel als van kolièkèn.... van klièrèen.... zoowel., als., van verzwèeringèn.... van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoörnpijnen.... van gezwelpijnen, zoowel als van abscespijnèn.... En ziet toe!.. Hooggèwaardeerd.. publiek.... ziét toe !.. Ik gènees allés met hèt.... kostbaren vocht van.. .. Valura.... in dezèn fleschjès.. saamgèperst. —
In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z'n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z'n gehoor, ironietrek verborgen om z'n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z'n hoed af, stootte schor-rauw uit :
— Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waardeerd.... publiek.... met dit.... vocht.... van Valura.... geneès ik.... wondè-ren !.... Met dit vocht.... heb ik reeds.. genèzen.... dèn