gatische instrumenteering der hoofdthema's. Zoo'n polyphonie en zoo'n orchestreering geschreven voor een tenger, teeder en lyrisch instrument als de viool is! — Want, ik zei het nog Fiedler en hij stemde volkomen in, de viool wordt vaak, als instrumentaal ding, misbruikt. De viool is een lyrisch instrument; kan niet met zware, veelstemmige harmonieën en ac-coorden uitdrukken wat een orgel, een piano vermogen uit te beelden. Deze Ciacona is heelemaal polypho-nisch gedacht en geschreven, en gecomponeerd met een episch sentiment, en een breed-rhythmischen gang die overdondert. De bouw van de solo wekt de illusie, alsof je eenige instrumenten met de wonderlijkste klank-effecten dooreen hoort spelen. Feitelijk een viool-solo, die zich zelf in de neventhema's tot obligaat-viool maakt en nog allerlei stemmen en toon-figu-ren door de hoofdthema's laat heenschrijden. Soms is het tè hevig, tè zwaar van magistraal-harmonische dreuning voor de viool. — Dan hoort ge het lyrische instrument zacht kermen, snikken in de al zwaarder ontbloeide wemeling der toonfiguren en harmonieën. En toch, als de Ciacona met zoo'n breed-rhythmischen gang, zoo'n ontzaglijk ruim stijl-sentiment gespeeld wordt, als ik mij voorstel dat het kan, en als ge dan zoo rustig en rijk-stroomend, zoo kabbelend van klank-weelde en melodie-golving uit de polyphonische bewerking de melodie zich ziet loswikkelen uit het tonenweb, en ge voelt de beklemming van het massaal-drei-gende der fuga-instrumentatie eindelijk oplossen in een toon-kreet, een snikkend-zingende melodie-stem, dan
206