en suiker en klontelige melkkluitjes. Maar direct daarop is hij weer vinnig, spottend, ontnuchterend, zijn eigen weekelyke schijn-tragiek tegen de gezwollen kaak slaand. Hoe nuchterder, hekelzuchtiger hij is, hoe beter en dan is zijn uitbeeldingskracht van werkelijke vlijmend-humoristische werking. Als hij zijn ziel in gala steekt, plechtig oreert en leest en spreekt en zich-zelf telkens tusschen het objectief beeldende van zijn liedjes dringt, kan ik hem gewoonweg niet uitstaan. Laat Jacobs, je moraalderij in den steek! Zing alleen wat je voelt, ziet en bepeinst in je lied, maar laat ons zélf de zedeles er uit peuren.
Werkelijk een zeer eigenaardig talent is Jacobs, weer héél anders dan Speenhoffi, met méér temperament en misschien even groote snuggerheid, geloof ik. Maar het innig-sobere, het fijne en hooghartige van Speenhoff mist hij volkomen. En dat drukke, en zware, en aangezette, en opgezwollene doet zijn arbeid velen onder de kunstenaars vaak lager aanslaan dan noodig is. Hij heeft zich slechts in te binden, om zeer goed te worden, zich te zuiveren van wansmakelijke publiek-speculaties in het sentimenteel-drakerig-ontroerende en grof-hoerig-weeërige.—Hij moest zijn eigen uitbrekende verheffingen terugdringen en geen conferencier, maar een zuiver chansonnier willen zijn. Meer niet. Meer bedwongen, meer beheerscht en hij brengt de ziel nog veel heviger in ontroerende trilling. Wè,t Jacobs goed doet, dat is typeeren, bizonderlijk als hij kleine zieltjes van anderen open sluit.
162