lijke diepte. Als het groote, onstuimige en brandende leven nu geschonden moet worden door zulke bloederige en grove handen en door zóó groven zang en door zoo driest-gemeen woord, hoe wezenloos en zat moet dan het publiek wel zijn dat naar zülken afval luisteren komt. — Maar deze eerste indruk is verdoezeld door zijn later optreden, zijn zingen en nu en dan acteeren.
Ik heb in Parijs de echte, onvervalschte chansonniers gehoord. In den beroemden Chat-Noir nog, op het half-duistere bovenzaaltje van Salis' wonderrommelig cabaret! — O! die voorbijgegane tijden! —
Toen ik voor 't eerst in Parijs aankwam, op een vlym-kouden winteravond in Januari, was er juist een hevige brand uitgebroken in de Opéra Comique.
Parijs in winterkou ademde bijna niet meer; alles leek verscherpt in den snijdenden wind, wrang en verdoken in eigen aandacht. — Maar plots werd deze voor mij vreemde wereldstad van een ontzettende angstigheid. Want in één trok de lucht rood boven de huizen en straten. En overal langs mij verdruischte een bang rumoer. De avondhemel al banger doorlicht van vlam-menschijnsel, niet te zien, spokerig glansde en ving het geruisch van verre lichttongen. Ik kromp tot een schaduw. Mijn ziel hunkerde naar een groote-stads-ontroering, maar dat, plots voor de oogen geschroeid, leek mij al te machtig. Om mij héén het groote, deinende, zengende, grillig van andere geluiden doorbrokene gerucht van de metropool. En al die vrouwen, schoon
154