wilskracht, machtige zenuwbeheersching, een bijna vrome training. Deze vermogens bewonderde juist de oude Griek, de aestheet bij uitnemendheid, in den athleet, in den worstelaar, in den vuistvechter. Wie kampte niet mee om den olijfkrans, te Olympia geschonken! Op het altaar kronkelden de vlammen van het offer hóóg uit. De mannenkoren klonken onder den blauwen hemel, en de fluit en de cyther begeleidden de goden-lofliederen. Zie hem verschijnen, den overwinnaar, in het gloeiende purper, getrokken door schitterblanke schimmels, en de volksmassa van allen kant er achter, juichend, jubelend naar hun held. Dit instinct voor het heroïsche is in het volk gelukkig bewaard gebleven. En al zijn er uitwassen, ziekelijke ontaardingsvormen, manieën, weerzinwekkende en eenzijdige verheerlijkingen van het sportleven, ik acht het voor ons volk een geluk, dat de lévende belangstelling voor de Olympische vreugdens nóg bestaat.
In de Jordaan is het nut ervan, zij het dan ook soms zeer primitief, nochtans op hoogst-oor-spronkelijke wijze gevoeld. Op instinctieve manier richt zich de bewondering naar den kamper. Ook in de Oudheid smaalden wel eens wijsgeeren op de Olympiërs. Niet hun geest, doch hun lichaam is slechts geoefend. Deze oefening is zeer eenzijdig en zij bezwijken spoedig wanneer zij
124