179
gaven rijkelijk gelegenheid om honing te doen puren.
De schapenteelt stond in hoog aanzien en men was er in geslaagd een schaap te telen, dat overvloedig een zware, zijdeachtige wol opleverde. Men liet de lammeren bij de moederschapen en zorgde er voor, dat er als de lammeren volwassen waren, geen in-teelt plaats kon vinden, door dan nieuwe kudden te vormen en die ver weg te ruilen.”
Met bewondering volgde prof. Leyden zijne geleidster en terwijl zij sprak, zag hij het geschilderde idyllische leven voor zijn oogen zijn voortgang hebben.
„Vriendin,” zeide hij ten laatste, „nu hebt gij mij veel doen aanschouwen en verklaard. Maar mag ik u een vraag stellens"'
„Gaarne mijn vriend. En ik zal mij gelukkig voelen, als ik ze u naar uw wensch zal kunnen beantwoorden.”
„Welnu, waaraan ontkenen al deze menschen de kracht om zoo schoon, goed en gelukkig te zijn.”
„Aan de lessen van het verleden.”
„Ja, maar om van lessen uit het verleden een goed gebruik voor het heden en de toekomst te trekken, moet men toch een kracht tot het goede hebben.”
„Verklaar u nader, Horatio.”
„Welnu, al lijkt het u bekrompen, dat u dit ge-