125
te houden, zoo bracht ook de zekerheid voor elkeen, dat hij van zijn geboorte tot zijn dood, overvloedig voedsel, kleeding en huisvesting zou bezitten, geen geluk. Want het geluk van den mensch komt voort uit den geest, niet uit de stof. En alleen door den strijd tegen de stof, kan de geest weerbaar en zich bewust blijven. Arbeid, de tol van het geluk, was tot een minimum beperkt en daardoor steeg de genotzucht tot een maximum.
Daar de man nu aan de vrouw was onderworpen, zooals eens de vrouw aan den man was onderworpen, bleef de schepping van den nieuwen mensch, wat zij tot heden doorgaans was geweest, een immoreele actie. Had vroeger, de man, de vrouw gedwongen, hem tot lust-object te dienen, daar de vrouw, tot rijpheid gekomen, moest zorgen „uitgehuwelijkt" te geraken op straffe van of te verdorren of tot oneerbaar geacht verkeer te komen, thans was het schijnbaar omgekeerd, maar naar het wezen hetzelfde. De vrouwen kozen zich de mannen en daar zij niet overheerscht wenschten te worden, kozen zij doorgaans de zwakste en de meest minderwaardige individuen. De weinige kinderen, uit dit verkeer gesproten, droegen zoo goed den stempel hunner verwekking als vroeger, toen de mannen de vrouwen kozen, hetzij als lust-object, hetzij ter wille van bezit, te verwachten erfenis, invloed harer familie, kortom ter wille van al de vele onzuivere motieven, waartoe zoovele huwelijken werden gesloten.