IOO
klinken, welke te vergeefs trachten een verstaan-baren vorm aan te nemen."
„Voelt gij mijn hand boven uw hoofd uit-stralens"'
„Ik voel uitstraling boven mijn hoofd, maar het is of de uitstraling niet in mij doorstraalt. Ik voel het als iets chaotisch," dacht professor Leyden.
„Ik ben Eumenia, uw angelus tutelaris," zeide Eumenia.
Het was professor Leyden alsof hij iets hoorde tuten en achter dat tuten, gelijk een waas van geluid, hoorde hij stemverwarringen.
„Waarschijnlijk," dacht prof. Leyden, „geschiedt hier op 't oogenblik iets soortgelijks als mij vroeger wel eens gebeurde bij het telefoneeren. Dan wist ik niet of ik het toestel de schuld moest geven of aan de smadelijke gewoonte, juist jonge meisjes, de klapachtigste menschensoort ter wereld, tot verlengstukken der spreektrompet te maken, zijzelve spreektrompetten zonder rem. Waarschijnlijk spreekt iemand tot mij en wil mij iets mededeelen. Maar daar er verschil in de dimensies is, waarin wij leven, kunnen wij helaas elkaar verstaan noch begrijpen, slechts vaag vermoeden, dat wij elkaar wat mede te deelen hebben. Was het op de aarde niet vaak even-zoo, als ik de vorderingen der wetenschap aan die van het eerste jaar trachtte duidelijk te maken?1 En waren de stemmen van al de groote mannen, die hun tijd, dat wil zeggen, hun dimensie, vooruit