208
„Neen heer... wel heb ik er levende vrouwen gezien, die verbrand werden met bet lyk van haar man. Maar dat is om der wille van het geloof.”
„Gelooven ze daar ook aan Wotan?”
„Neen heer en niet aan Odin ook.”
„Wat gelooven ze dan?” vroeg Sogol, vergetend de gruwelijke krocht waar de twee onthoofde vrouwen aan hun voeten lagen, voor de oplossing van het groote vraagstuk, dat hem meer belangstelling inboezemde dan de voorvallen van het heden.
„Zouden wij niet eerst den gevangene redden?” vroeg Rytzell, naar de gewoonte der Scandiërs, ontwijkend het antwoord op alle vragen omtrent het vreemde land.
Zj traden uit de krocht naar buiten en liepen langs den steilen rotswand.
„De vrouwen, die ons vervolgden heer, geleken op deze.” „Dat zijn dijn nixen, schipper. Geloof mi, andere bestaan er niet. Wij zullen er nu twee in haar slaap wegvoeren en dan vragen waar mijn horensteker is.”
Sogol liep een krocht binnen en een prop makend van een stuk lijnwaad en Rytzell beduidend hetzelfde te doen, nam hij een wijf bij ’t gelaat, rukte haar den mond open en voor ze gillen kon, duwde hy haar de prop in den mond. Daarna tilde hij haar op en droeg haar naar buiten. Rytzell, hield zijn hand voor den mond der andere vrouw en sleepte haar met de andere hand Sogol achterna.
Zij liepen nu, elk een vrouw dragend, snel ver uit het bereik der krocht. De vrouwen, plotseling uit haar slaap gewekt, verweerden zich maar de twee mannen, beiden van groote lichaamskracht, sleurden heur voort. Doch de vrouw, die Rytzell droeg, van groote statuur en zwaar-gespierd, beet hem in den vinger, Even trok de zeeman zyn hand terug en zij, snel zich losrukkend, kreeg vasten voet op den grond en begon met haar ontvoerder te worstelen.