193
van den riem gaf krakend iets mee. Sogol wachtte een oogenblik en opnieuw zijn armspier doende zwellen, gaf het murw gebeten leer mede.
Dat was de bovenarm. Hij kon nu den linker elleboog en den linker schouder vrij bewegen en slecht het linker polsgewricht was nog aan een bronzen ring in den rotsigen bodem vastgebonden. Gelukte het hem den pols los te wringen, dan was hij op ééne zijde vrij en de andere zijde zou weldra volgen.
Doch hij kon den mond niet tot aan het polsgewricht brengen, daar zijn rechterschouder, bij den bovenarm vastgebonden, hem aan den grond ketende. Daarom moest hij eerst den bovenarm van den rechterarm losknagen, zooals hij dat bij den linkerarm gedaan had. Gelukkig dat hij nu niet meer gestadig denzelfden kant van den mond behoefde te gebruiken, maar afwisselend met de linker- en met de rechterhelft kon knagen.
Als een dier, geduldig ,en onverzettelijk, beet en kauwde hij op het leer tot hij ook den rechter bovenarm ontboeid had. Zijn hart klopte heftiger van vreugde nu hij bemerkte, dat hij zich halverwege kon'oprichten. Het bovenlichaam was dus bevrijd, nu de polsen en enkels... Maar hij behoefde niet meer te kauwen. Thans, nu hij over zijn geheele lichaamskracht beschikte, begon hij aan de pols-riemen te wrikken. Het leer gaf iets mede, maar de polsen zwollen door de krachtsinspanning en daardoor verloor hij de gewonnen verwijding. De polsen moesten glad gemaakt worden, opdat ze door de riemen heen konden glijden. Hij peinsde even. Indien hij maar een paar druppels olie gehad had... Doch een denkbeeld kwam in hem op en een poosje later zich met geweld overwinnend, nam hij de eigen drek in den mond en spuwde ze op zijn rechterpols uit.
- En nu weer begon hij te trekken en te wringen... de riemen gaven mee, de nu gladde polsen gleden onder de riemen, weg en zijn rechterarm was geheel bevrijd.
GERMA.MA II. 13