159
bevolkt is geworden van uit Gallig. Maar wie kan dat nagaan?”
Haun stond bij den doovenden brandstapel.
„Niets gebeurd?” vroeg Sogol.
„Ja heer____de twee vreemde wijven zwerven hier weer
rond.... Zij kwamen uit het boschje daar en toen ze mij zagen, vluchtten ze weer naar dien kant weg____”
„Zij zullen hun kabouter zoeken!” lachte Sogol, ’t verschrikte gelaat van den jongen ziende.
Hij keek op het kleine hoopje witte asch en de witge-brande beenderen op den mutsaard.
„Veel is er voor haar niet van hem overgebleven!” zei hij, starend naar het verbrande lijk van den priester.
Voorzichtig schepte hij de asch en de beenderen met het plat van zijn zwaard van de mijt en liet het in de opening van de urn glijden. Toen bleef hij lang naar de urn staren.
„Hoe weinig beteekenen wij menschen toch, geliefde.
Ziet eens---- in zoo’n vaas gaat de asch van tien van
. ons.... En dan zouden de hemelen en de góden in beweging zijn, wanneer een onzer stierf? Zijn wij iets anders dan een dier?.... Weten wij iets meer?.... Wij wandelen in raadselen.. als wy ten minste in raadselen wandelen.. Maar iets in mij Harimona, zegt mij, dat er geen raadsel is.... Het is onze domme, waanwijze, vervloekte verbeelding, die ons de raadselen schept.... Leegheid is er rondom ons.... een afgrond zonder bodem.... een diepte waarin wy verzinken om nooit weer te keeren.... noch hier noch elders.... Daar, in dit vaasje ligt een mensch.... een mensch, die gedacht, gevoeld, gestreefd heeft.... Had zijn duw een beetje krachtiger geweest, ik zou in ’t zwarte wad gevalled zijn en niet hij. En ik zou verdronken zyn
en niet hy____En hij zou nu bij mijn asch kunnen staan
en bij myn urn een lykrede houden____Hebben de góden
de hand in ’smenschen lot, Harimona?”