150
„Zal di nooit wijzer worden knaap..” riep Sogol norsch. „Ik zal di nogeens een les geven, dat du alle vrees voor geesten en kobolden verliest.
Harimona was afgestegen en legde heur hand op Sogols schouder.
„Geliefde, wees voorzichtig. Een voorgevoel zegt mi, dat hier gevaar dreigt. Ik voel de tocht van den dood langs ons strijken.”
„Zult di dan ook nooit moedig worden?” toomde Sogol en spottend riep hij: „Kom eens naar buiten.”
„Vreest di niet vreemdeling? Weet, dat ik niet uit mijn hol treed zonder onheil!”
„Dan zal ik di halen, du leugenbeest!”
Moedig stapte Sogol de grot binnen. Maar de priester doofde meteen zijn brandend kienhout en vluchtte naar achter. Hij kende nu vrijwel den weg, sloop naar het plateau bij het water en verschool zich daar in een nis.
Sogol, die in de duisternis rondtastend, de scherpe wanden voelde, trad weder naar den uitgang.
„Is hij ontvlucht?” vroeg Harimona.
„Voorloopig ja. Maar wij zullen den vriend wel te pakken krijgen. Houd hier de wacht Haun. Ik ga fakkels snyden.” Sogol liep 't woud een eindje in, hakte eenige geschikte droge takken van jonge dennen af en met zijn rondhout vuur draaiend in ’t blok, stak hij ze aan, tot ze goed opvlamden en liep toen terug, ’t hol binnen.
De druipsteengrot wekte zijn verwondering niet, zoomin als de echo dat gedaan had. Hy had wel meer zulke grotten gezien en wist, dat de kristallen door Scandische zeelieden medenomen werden als ze naar het vreemde land voeren. Maar toen hij door de tweede grot aan het onderaardsche meer kwam en de zuilenrijen en gewelven langs de oevers aanschouwde, vloog de gedachte door zijn brein, dat hy dit keer werkelijk in een der paleizen van kabouterkoningen was binnengedrongen, waarvan de sagen zooveel verhaalden.