134
„Stemmen, stemmen!” riepen de mannen terug.
Sigbart keek naar Reri.
„Ja vaêr, laten wjj stemmen!”
„Zult di dijn vader afstaan, snotjongen?” zei Sigbart, zyn zoon een stomp voor de borst gevend.
„Is dat mijn loon, vaêr?” vroeg de reus, bedroefd ter zijde gaande.
„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen met meer onstuimigheid.
Maar de ouderen onder de mannen, die zelf vaders waren en met bewondering zagen naar hun aanvoerder, die zoo zyn vaderlijk recht wist te bewaren, willende toonen, dat zy ook niet bevreesd waren voor hun zonen, gingen bij Sigbert staan, toonend dat zij voor hem partij namen. De vader van Hindar was de eerste, die naast Sigbart stond. Maar Hindar, op hem toetredend zei:
„Yaêr, ik moet eten... Du weet wel vaêr, de laatste bete heb ik gisteravond gehad... en toen heb ik met di gedeeld...”
„Laat ze eten, Sigbert!” zei nu de vader van Hindar.
„De zwemmers kunnen krijgen!” gaf Sigbert toe.
„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen dreigend.
„Vooruit dan... wie ’t zaaigraan wil vervreten, steek op zijn saks...”
Alle saksen werden opgestoken. Sigbert boog voor de overmacht. De zak werd weer geopend en een der Batouwers, die een kleinen helm droeg, gaf ze om als maat te dienen.
En nu mocht elk man een halven helm vol van het zoete barnsteengraan uit den zak putten. Zij hielden hun pels als voorschoten op en liepen met hun schat naar het vuur of zetten zich wat verder alleen weg en begonnen het zoete graan rauw op te knabbelen.
Alleen Sigbert at niet.
„Vaêr!” zei Reri, „du eet niet?”
„Dyn vaer vreet zyn vryheid niet op 1” zei de Bataaf norsch.