129
Hij liep naar de kajuit terug, nam een signaalhoorn en blies alarm.
Doch dit duurde lang genoeg en voordat in de vale morgenschemering ontdekt was, waar de aanvallers waren, hadden de Batouwers de jol met de vijf-en-twintig zakken meel al weder op ’t ijs gehaald. En nu, vijf-en-twintig der mannen elk een zak graan op den rug dragend, begonnen de honderd weg te rennen, in den dreunenden, gelijk-matigen stap van krijgslieden, die een aanval doen.
Zij vormden een driehoek met telkens één der mannen voorop als windbreker en de anderen, hun handen op de schouders van de voormannen leggend, vermeerderden dier kracht.
Er was in al dien tijd geen woord gesproken.
Zoodra de vier zwemmers uit het water waren, hadden zij slechts één woord gezegd: „Den barditus!”
Dat was genoeg geweest. Sigbert, als de aanvoerder was 't eerst voorop geloopen als spits van de wig. Maar naarmate de spits wisselde kwam hij, naar ’t oude gebruik, des te meer naar achteren, terwijl de vier zwemmers, als ’t meeste vermoeid, achteraan waren gaan loopen, opdat de voorsten den wind zouden breken. Zoo kwam het, dat na eenige gewenden, toen de achterste lieden vooraan kwamen te loopen, Sigbert met Tjeerd achteraan liep, terwijl Reri in de voorhoede was. Maar toen Baldei, die nog altijd niet geheel' bekomen, in de achterhoede bleef loopen, de handen op de schouders van Tjeerd, die hem steun gaf, los liet en niet meer mede kon, floot Sigbert op zijn vingers en de saks hield stil.
Zij waren, dank zij de snelle en ordelijke wijze waarop zy de vlucht hadden genomen nu zoo ver van de skigge, dat zij niet anders zouden kunnen worden ingehaald dan door paarden. Maar achterwaarts ziende bemerkten zij, dat het gevaar voor vervolging niet groot was. Want de beroofde skig lag vrij afgezonderd, ’t meest naar voren en
germania. n
9