126
Hij greep met zijn vingers tastend in de zakken. Dat
was graan---- en dat was rogge.... en dat wat ronder,
dat zoo stak, dat was gerst.... en dat.... dat....
hij voelde nogmaals en nogmaals____ het waren kleine
ronde korreltjes, maar wèt voor graan 't was kon hij niet goed op ’t gevoel onderscheiden, ’t Zal spelt zijn, dacht hij.
En nu stapelde hij snel eenige zakken op elkaar, zoodat hg een soort trap vormend, makkelijk bij de opening van ’t luik kon komen. Met twee zakken gerst klom hjj naar boven, sloop naar ’t roer.
„Gauw, gauw,” zei Baldei.... „het water bevriest op mijn leden....”
„Volhouden!” riep Reri. Hij gaf hem den eersten zak, die Baldei overgaf aan de twee, die op de roerstaart zaten en wachtten. Toen de tweede.
„Volhouden 1” riep Reri____„er komen er meer.”
„Ik kan niet.... ik verstijf....”
Toen boog Reri zich over de verschansing, en een stuk touw latend afhangen gebood hij Baldei, dat vast te pakken.
„Ik kan niet meer. Ik kan mijn leden niet meer bewegen.”
„fn je mond!” beval Reri.
De jonge Batouwer pakte het eind van het touw vast met zijn tanden.
Reri, kennend de sterkte van het gebit der jonge Batouwers, die al als knapen zich oefenen in het tillen met de tanden, trok Baldei op, die nu boven het water zweefde, stijf bevroren maar klemmend zijn tanden, sterk als het gebit van een roofdier om het touw, schuingebogen het hoofd. Toen hij hem tot aan de rand van de verschansing had, greep hij hem snel hg den gordel, die kraakte van de het ijs. Dan haalde hij den verstijfden, jongen reus op het achterdek.
Onmiddellijk begon' hij hem krachtig te wrijven. Het waren niet zijn leden, die bevroren waren. Doch het vet