124
te roeren. Hij had de wacht gezien op ’t eerste schip, dat zjj nu al dicht genaderd hadden.
„Wij moeten langs het roer op.... Anders kom je nooit op een Frise skig....”
Een ijsbergje dreef aan. Reri hield het met zijn schouder tegen----
„Hierachter aan mannen!” zei hij. Hij haalde zijn saks uit den gordel, sloeg het wapen met de scherpe punt van den bronzen bijl vast in den ijsberg en zachtjes met de voeten trappend, stuwde hij het ijsbergje met duwtjes naar het roer van het schip. Hij hief den vinger op, zijn lichaam steunend op het roer en de drie anderen, de handen klemmend om de stuurstaart, ’t hoofd half boven ’t water, wachtten.
Reri maakte het touw los van zyn gordel en zijn saks in de hand nemend, hakte hij het hout rond een zwaren spijker boven zijn ’t hoofd los, zoodat hij er zijn gordel aan kon binden.
„Het is was hoog tijd. ’t Weer slaat om” fluisterde hij tot zijn makkers. „Het ijs in de strooming is al gesmolten tot hier. Toen ik wegging lagen de skigge nog in 't ijs en
nu zijn ze al aan ’t water toe. Kom hier Baldei----du
bent de langste.... ga in de gordellus staan---- Dan
klim ik langs dijn schouders en reik aan de verschansing...
Dan hier wachten____ tot ik terug kom. Maar hoort di
onraad of een plons, dan wegzwemmen----Om mi is het
dan toch gedaan en boven komt di toch niet zonder hulp....”
Baldei stond in de gordellus en zijn saks vastslaande in ’t hout, hield hij zich zoo rechtop. Reri klom langs hem op, voorzichtig en moeielijk, want beider lichamen, glad door het berenvet, gaven geen houvast. Maar Reri wreef zyn handpalmen droog tegen de ruwe kiel van de skig en vast de schouders van Baldei pakkend, heesch hy zich op diens rug, zette nu de voetzolen in de gleuven vaD de