109
ring zyn schuilplaats en sloop weer terug naar de plaats waar de hutten en holen lagen. Daar brandden rondom vuren en by den rooden gloed zag hy nu, dat de wezens in vrouwen en mannen onderscheiden moesten worden, hoewel uiterlijk tussehen de geslachten geen verschil was op te merken. Hy sloop zoo dichtbij, dat hij de woorden kon verstaan, die zij spraken. En nu vernam hij, dat een der wezens, door een nikker was nagerend. Deze had haar gegrepen en haar medegetrokken naar zijn burcht, onder de aarde. Het was een groote burcht van zwarte steenen, die verlicht werd door sterren, die tegen de zolderingen der hallen hingen. De nikker had haar door lange, onafzienbare hallen gevoerd waar op zwarte banken witte gestalten met gesluierde gelaten zaten. „Wie zijn dat?” had het wezen gevraagd.
„Dat zijn de geesten van gestorven maagden,” had de nikker geantwoord. „Zij blijven hier zoo zitten, onaan-doeniyk voor alle gevoelens, tot een minnaar ze komt verlossen. Want*- daar zij boven de liefde niet hebben gekend, kunnen zij niet opstijgen naar Walhalla, om by de feestmalen de helden te dienen en te vermaken.”
„En waar zyn dan hun minnaars?”
„Hun minnaars zijn de priesters, die de gelofte der kuischheid hebben gedaan. Wanneer zij waarachtig kuisch leven en onbevlekt sterven, zweven hün zielen mijn zwarte burcht binnen voor zij opstijgen naar Wotans heerlyk rijk en zij mogen zich onder de gesluierde maagden een eeuwige bruid kiezen.
De uitverkoren bruid stijgt dan mede opwaarts en krygt van Wotan de gave der eeuwige jeugd en eeuwige wisseling. Zij kennen dan geen tijd meer en geen getyden en leven in durende gelukzaligheid van vervulde liefde.
Maar aan de hallen kwam geen eind en ik telde duizende en nogmaals duizende wachtende vrouwen.
„Zijn er reeds veel omhoog gevaren?” vroeg ik beangst.