107
drinken geven. Maar de priesters, vreezend dat zij vergiftigd zouden worden, zeiden geen dorst te hebben.
„Wie zijt di en wat kwaamt di doen in ons woud?" vroeg het opperhoofd.
„Wij zyn priesters uit den heiligen haag van Renigo. De Nervische prins Sogol heeft onze heilige jonkvrouw Harimona ontvoerd en de opperpriester Maresag zond ons uit om de jonkvrouw terug te voeren."
„Waar is de jonkvrouw?” vroeg het opperhoofd.
„Wij zoeken haar sinds dagen. De prins kon slechts een korten voorsprong op ons hebben en nog dezen dag hoopten wij hem in te halen.”
Een der maagden liep op den spreker toe en opeens gillend en hem spuwend, riep zij:
„Dat is de zwarte kobold, dien ik heb zien vliegen. Dat is de kobold, die mij gebeten heeft____”
En zich op den gebonden man werpend, begon zij hem met de lange nagels het gezicht open te rijten. Een tweede maagd sprong nu toe, duwde de eerste weg en schreeuwde:
„Du liegt, du liegt---- het is mjjn nikker---- mijn
nikker, waar ik alle nachten mee samen ben.... Laat het
hem zelf zeggen----Babehild, Babehild____laat het hem
zelf zeggen....”
Maar de eerste maagd greep de andere in de haren en deze twee elkaar stompend, bijtend, trappend, krabbend, geraakten in hysterische woede; andere maagden begonnen over de drie andere priesters te twisten en deze, gebruik makend aan de onoplettendheid der kijvende, gillende, krankzinnige vrouwen, wisten zich los te werken en tegelijk opspringend, vluchtten zij, geheel naakt jiu, het bosch insnellend, zoo hard zij loopen konden. De maagden, dit ziende, snelden hen na. Drie priesters wisten te ontkomen en zich in ’t woud te verbergen. Maar de vierde, een korte, wat zwaarlijvige man, niet zoo vlug ter been, viel en werd door eenige maagden achterhaald. Zij stortten zich op hem,