HOOFDSTUK VIII.
Toen Maresag 's morgens in de hut van Harimona komend bemerkte, dat zijn dochter gevlucht was met den Nervischen prins was hij zeer verschrikt. Want met haar verdween de reuk van heiligheid, waarin de haag van Renigo stond en hij vreesde, dat de partij der priesters, die hem om zijn macht en schatten benijdden, opnieuw het nooit geheel gedempte verhaal van Harimona’s geboorte weder zoude opdelven en hem op zijn ouden dag doen boeten voor de zonden zijner jeugd.
Hij riep een priesterding te samen en deelde de priesters mede, dat de gruwelijke Nervische prins, Harimona geschaakt had en zeker hare heiligheid en wonderkracht zou gebruiken, om gindsch in zijn rijk een haag den roep van heiligheid te bezorgen.
De priesters, eerst ontzet, meenden dat de prins onmiddellijk vervolgd moest worden. Maresag deed twaalf der jongste priesters te paard stijgen en gaf ze bevel Sogol dood of levend hem terug te brengen. Maar Harimona moest gespaard blijven en met alle voorzorgen en eer weder naar de haag van Renigo worden begeleid.
De twaalf priesters, op flinke paarden, gewapend met kortzwaard en fram, reden zoo snel zij konden in de richting der Nervische gouwen. Zij vermoedden niet dat Sogol zich geenszins had gehaast en zoo reden zij hem reeds op den derden dag voorbij, terwijl hij, Harimona en Haun in een boschje kampeerden. Onderweg aan de groote pleisterplaatsen vroegen zij of men de vluchtelingen ook gezien had en vertelden van het snoode bedryf van den Nervischen prins, die de kuische priesteres uit de haag