167
167
van land tot land, altoos doortrekkend, tot zy hier in Germanje bleven, omdat er zomer was en in de groote bosschen veel dieren waren om te jagen. Toen zyn de sprokesprekers gekomen en hebben als vreezende ouwe wijven, overal geesten en draken en wonderen gezien. En aren slechte lieden, die in de dagen van hongersnood
envleesch hadden gegeten en smaak hadden gevonden in het vleesch van den broeder. Toen zfln zy het geweest, die de menschenoffers aan Thius hebben uitgedacht, omdat zij dan van het geofferde menschenvleesch konden eten. Later hebben de priesters het veranderd, om vleesch van runderen en geiten en lammeren te kunnen eten... Maar ik zeg di, de góden hebben geen welgevallen aan offerdieren... zoomin als ze het hadden aan offermenschen...”
Terwijl hy zoo sprak, tot haar en tot de omstanders, was Maresag weggeslopen en naar het volk beneden gaande, begon hy te zeggen, dat spoedig het groote offer gebracht zou worden. De grysaard, de man en de jongeling stonden voor den zetel van Harimona en zouden straks afdalen en het volk moest ze opdringen naar den Rin en ze daar in den stroom werpen, ter eere van den Ringeest.
De lieden, nu al dronken van den mededrank, wreed door het overdadige vleeschgenot, na de bloedige dieren-offers der laatste dagen verlangend naar een sterkeren prikkel, juichten, blikten op met verlangende oogen naar den heuvelweg, waar ze de drie offers voor den zetel van Harimona ontwaarden.
Harimona zag naar den krachtigen, slanken, moedigen Nervische prins. Zij luisterde naar zijn betoog als naar een nieuwe leer. Zoo had zy nooit hooren spreken, zóó had zy nooit zelve gedacht. En het was haar, of niet zij maar hij een bevoorrechte der góden was en zyne woorden waren voor haar als tooverspreuken en in zijn open, klare, donkere oogen zag zy de waarheid, dat groote, groote wonder voor haar, dom verleugend wezen.