158
krachtige jonge lieden, di$ wel aanboden om den strijd met de drie geheimzinnige geesten aan te gaan, maar die, als zij ze afwees, onderworpen en nederig, vaak als kleine kinderen met tranen in de oogen, deemoedig en beschaamd terzijde traden en plaats maakten voor den volgenden bruidswerver.
Laf, laf, laf waren ze allemaal, al waren ze ook meesters op het kortzwaard en bereid met de geesten een strijd om heur aan te gaan. Klein-geestige, bekrompen halzen waren het, bloedjes, die zich door de praatjes van een ouden schatten-schrok lieten bedriegen en afhouden van wat zij als 't liefste en schoonste en dierbaarste ter aarde beschouwden. Slavenzielen, die geen godin waard waren omdat zij zich zelve geen godin waardig gevoelden. Het kwam in haar op, wanneer een bruidegom voor haar stond, om hem plotseling te zeggen, dat hij een bloed, een hals, een domoor was, omdat hij met eerbied naar de hand dong van eene, die hij zyn hand met verachting behoorde te weigeren. Of ook moest zij zichzelve bedwingen om niet in schaterenden lach uit te barsten, den domoor te hoonen, die daar smeekend voor heur stond, haar zijn bloed en zijn bezit en zijn leven aanbood en zich door haar liet afwijzen als een onwaardige, voor het oog van allen. Daar was dat Batouwsche sprokesprekertje, den broer van Reri, den trouwen reus, die bij heur zetel stond en voor heur veiligheid waakte als een hofhond. Zijn prachtigen vader, met zijn geduldigen kop, zijn twee welgevormde, krachtige broers schenen hem onderdanig en hy, het bleeke, tengere kereltje in zijn hemelsblauw overkleed, dat hem op een meisje deed gelijken, had heur om heur hand gevraagd en verteld van het groote rijk, dat hij eens zou beheerschen en dat bij, den draak, den hond en de geit zou willen bestrijden, geholpen door zijn vader en zijn broers en dat hy de gave van de voorspelling bezat.
Zij had naar dat ziekelijke, slappe, kereltje gekeken bijna