155
had gelijk. Er woonde in haar een goddelijke kracht — hoewel zij zelve zich machteloos voelde en een gehoorzame dienares van die andere levenskracht in haar, waarover zijzelve zoo weinig heerschappij had.
Wanneer zij naar heur troon ging, zachtjes schrijdend in het lange blauwe kleed, welks sleep tot ver naar achteren op den grond haar naschoof, hield zy het gelaat schuin opwaarts naar den hemel, omdat de vracht van heur nu geheel loshangende, lijnwaadwitte haren, te zwaar was. Haar roode oogen, die nu in het donker van den nacht in de kassen gloeiden en waarmede zij de omtrekken der voorwerpen in de hut vaag kon zien, hoewel het geheel duister was, sloot zij ze op den dag vaak half, omdat het zonlicht haar zeer deed. Ofschoon zij kalm voortschreed, voelde zij heur knieën beven en heur hart klopte zoo sterk, dat een gestadig angstgevoel heur borst beklemde. Maar dan, wanneer zij eenmaal op de kussens van den breeden troon zat en zij zag hoe de stoet der lieden, deemoedig en vol vertrouwen op haar kracht naderde, dan was het haar of dat vertrouwen ook in haar rees en hoe dichter de lieden tot haar kwamen, hoe sterker dat vertrouwen werd. Wanneer de lieden voor haar troon stonden, met gebogen hoofd en in eerbiedige vrees, en zij vroegen haar raad, bescherming, genezing, was het haar alsof zij wegzweefde van deze aarde. Hoewel zy de bewustheid behield, dat haar lichaam hier vast op den troon zat, toch leefde in haar hoofd, zij voelde dat het in haar hoofd leefde, een ander bewustzijn. Haar was het, of zy met een ander lichaam oprees van den zetel, zweefde door de luchten en boven zag zij in een ruimte van witschemerend zilver, Wotan, den oppergod, die haar aanstaarde met het groote, ronde oog midden in ’t voorhoofd. Zij zag niets anders dan dat ééne oog en, zonder dat zij er een verklaring voor wist, straalde uit dat oog naar heur toe een ook voor haar onbegrypelyk iets. Maar ontwaakt uit haar