303
Door de straten, door de stegen.
Langs de kaden, op het pad,
Zoekt hij ijvrig naar een schat,
Maar het vinden valt hem tegen,
Nergens buigt de berketeen,
Naar geheime schatten heen.
Tot hij, na een jaar of drie,
Weerkeert tot zijn Annemie. (bis)
Aan de deur wordt hij ontvangen,
Door zijn zoete, lieve vrouw,
Die valt van de blijdschap flauw,
En hij kust haar op de wangen,
Hij vertelt haar desolaat,
Van zijn zoeken zonder baat,
Toen zegt zij, de schat was hier,
Kijk maar door den wiegekier ... (bis)
Wat, zegt hij, dat zijn drie blagen!
Ja, zeit zij, Jan, Piet en Koos,
En ze slapen als een roos.
Mag ik naar den vader vragen?
Zeit die goeie Nicolaas,
Zeker zeit ze, beste baas,
Dat ’s het wonder van jouw teen.
Nooit loopt Klaas van honk meer heen! (bis)
GRAAF Dl TOSCA
Verdraaid, dat is een echte, leuke mop,
Bravo, bravo, zoo hoor ik er graag meer, (naneuriend)