i74
„Bij mij ben je welkom . .
„Dank u . . . Dank u . . . ’k Heb ook dadelijk aan u gedacht, toen ik uit Londen terug ben gekomen . . . ’k Heb eerst alle moeite gedaan bij anderen . . . want waarom zal ik er om liegen, ik heb gedacht, dat nu u betoeg bent geworden mij tóch liever niet zien zou ... we zijn allemaal menschen en als ’t iemand goed gaat nietwaar, dat heeft-ie minder medelijden . . . Nou . . . wéét u wat voor mij om een fatsoenlijk stukkie brood te verdienen ?...” „Ik heb er al over gedacht. Maar wat kan je beginnen?" „Dat is het. Wéér agentje spelen?. . . Dat kan ik niet meer op mijn leeftijd. Ik loop naar de vijftig, maar ik voel mij als zeventig. Ik ben op . . . ’k heb ook geen geld om ’t uit te zingen. Als ik heelemaal een huis krijg waar ik wat voor doen kan, dan duurt het toch nog minstens een zes maanden vóór ik een cent provisie ontvang. Wie geeft mij en mijn vrouw en kinderen zes maanden te eten?”
„Je hebt gelijk. Het beste zou een vaste betrekking zijn.” „Spiegel mij geen luchtkasteelen voor. Jawel, een vaste betrekking, een, twee, drie. Waar zou dat geluk mij voor toekomen.” „Ik wacht op mijn coupeur . . . Als-ie terug is, zal ik eens met je naar mijn dochter gaan ...”
„Alstublieft. . . God zegen je er voor. ’k Heb gehoord van uw dochter. In Londen hebben ze mij er van verteld. Izak Goudsmit is er geweest om vee te verkoopen. Hij heeft mij nog een tientje geleend. Móói van hem geweest. De eerste cent die ik uit mijn mond kan oversparen, zal voor hem zijn om hn terug te betalen. Want ik ben een eerlijk man ...”
„Wij zijn allemaal éérlijk De gróótste gauwdief is éérlijk, ’t Zijn de omstandigheden en het noodlot, die een mensch dwingen tot oneerlijkheid,” philosofeerde De Leeuw. „En wat heeft Goudsmit je verteld?”
„Uw dochter Molly moet zoo’n groot huwelijk gedaan hebben. Haar man moet bijkans de grootste zaak in Amsterdam bezitten.” „Je zult straks eens wat zien”, antwoordde De Leeuw en zijn gezicht klaarde op van vadertrots. „Ik ben levenslang een „gammer” geweest, ’k Heb gedacht, mijn dochter Everdine zou met 'r viooltje wat worden, maar dat is een vergissing geweest. Zij kan het nèbbiesj niet helpen . . . Een vuil stukkie