Hij spiegelde zich in de ruit van een winkel, die hij voorbijliep.
«Maar kwaads kan niemand mij nazeggen. Zooas dit sjeketje me zit, hoef ik niet onder te doen voor een prins. Dat zit me geschilderd.
En kijk me die broek vallen. Om er bróge over te maken. As God me geeft dat ik het d'r doorhaal en ik blijf wat ik ben, koop ik me een paar echte, fijne, leverkleurige slobkous-sies . . . Waarom niet? As ik het betalen ken? En as het daar weer warmer wordt, zal ik me een paar wit piqué vessies laten maken . . . dat men mekaar later zeggen zal, hij ziet er zoo bekówet uit as 'n Nathannetje Souget...»
Hij stond voor de deur van den winkel van De Leeuw. Die was voor heden, Zondagmiddag, gesloten en de gordijnen waren voor etalage en winkeldeur neergelaten.
Dat had Molly zoo gewild. Op den dag van haar receptie wilde ze geen gesjagger om zich hebben, had ze gezegd. «En moe, wij maken er geen Poerim-drukte van. Wij zullen boven op de voorkamer ontvangen. Bertels en ik zitten daar en u en vader en dan schenkt u een glaasje advocaat of sherry-brandy of port en u zet wat goede taartjes op tafel en Lucie in een wit japonnetje presenteert wat fijne bonbons. Laten Eduard en Albert de menschen een beetje bezighouden en die ouwe tang stuurt u dadelijk met een heele flesch advocaat naar ’r kamer. Dan kan ze zich daar in ’r eentje bezuipen en wij hebben geen last van r...»
«Dat zal je vader niet willen ...»
«Vader heeft niks te willen. Ik heb te willen. En ik wil die ouwe nijtebeetster niet op mijn receptie zien. De menschen zijn bij zoo’n gelegenheid toch al altijd stijf en verlegen en dan begint dat ouwe varken met ze te praten en als 'r ratel eens los is, zal ’t zijn of zij receptie heeft en niet ik.»
Toen Nathan Souget binnen werd gelaten, rook hij al in den winkel den geur van bloemen en groen.
Samuel kwam hem tegemoet.
«Dag Nathan, dag Nathan... kom je ook feliciteeren ?»
«Waarvoor zou ik anders komme? Natuurlijk... zoo iets laat ik toch niet over me heen gaan . . .
Kalverstinat. Dl. II.
11