64
jou kommen ol ga jij naar je familie toe en blijf bij je familie . . . Wat zegt u daarvan? Zal men als zetbaas zijn eigen baas zijnde, niet een uurtje an een Sjabbes magge uitbreke om een ziek familielid te gaan bezoeken ... of ziek ... ze was niet ziek . . . maar goed . . ze kón toch ziek zijn ? En as ze nou is op sterven had gelegen, zal men dan als baas voor zichzelf niet een stervende de laatste eer mogen bewijzen ? . . . Men is toch geen hond . . . De heele week ben ik van 's morgens zeven tot ’s avonds elf hier in de zaak ... en an een Zondag heb ik open voor de Jehoedim en an ’n Sjabbes voor de zee-buurt. Hét-ie gemerkt, dat ik an ’n Sjabbes-e-middag voor mijn verzet één uurtje achter een begrafenis an ben geloope . . . Gloeiend zal het geld in zijn hand worden, dat ik voor ’m verdien, dat ’m de pooten afbranden . . . Maar wat wilt u . . . ik doe mijn best ... ik moet mijn best doen . . . maar ik heb het bij u beter gehad hoor ... nu zie ik wat ik al die jaren voor een braaf man als patroon heb gehad ...»
In gepeinzen was David De Leeuw weer naar zijn winkel gegaan.
«Niks geweest Eduardü* vroeg hij bedrukt.
«Niets vader!» zei de jonge man bedroefd.
«Geen handgeld ? > ...
«Neen vader ... er is een man geweest om een broek, maar wij hadden zijn maat niet... hij was erg lang . . .
«Morgen komt het acceptje van De Vries en Daalhof vader...»
«Ja, jongen ...»
«Hoe komt u aan geld ...»
«Ik weet het niet ... ik weet het bij God niet ...»
«Het is niet heel hoog ...»
«Voor mij is tegenwoordig alles een som . . . Hoe kom ik voor morgen aan honderd vijftig gulden!»
Hij zat een oogenblik na te denken, nagaande, waar hij wat zou kunnen leenen. Maar alle bronnen waren uitgedroogd.
«Ik zoek, ik zoek maar ik vind geen uitweg.»
«Ricardi was vanmiddag hier. Misschien wil hij u nog wel eens helpen?»
«Ricardi? Ricardi, zeg je? Als hij 't heeft, leent hij ’t mij