9
Davïdje op een ouden man. Ik kom toch aan de beurt. .
Vandaag was het dreinerig weer. Het had al gemotregend en in de vreemd-leege Kalverstraat zag hij in ’t glimmende asfalt een weerspiegeling van huisschaduwen. Van de gevels lekten droppels op zijn jas en soms spetterde er een op zijn klein neerhangend neusje. De oude man voelde zich rillerig. ,,'k Wou dat ik maar een kommetje warme koffie had. Honden benne de menschen. Daar loop je jaren aan jaren door dezelfde straat, helpt honderden uit de „Schwiejenieje”. maar nog geen druppel water zullen ze je geven. Ik wéét wel, hoe ze me noemen. De ,,Azer’’ ben ik. De oude man, die zich doodsappelt vooor zijn gezin om een stuk brood te verdienen is de ,,Azer!” Wat heb ik ze gedaan, dat ze mij zoo behandelen? Ze hebben mij toch noodig. Ik doe toch nét zoo goed handel als zullie. Ik tracht wat te verdienen en zij trachten wat te verdienen. Ieder op zijn manier.
Willen ze dan, als ze in de Schwere Noth’’ zitten en mij roepen, hebben, dat de oude man zal zeggen : Voor hoeveel heb je het ingekocht ? Daar heb je je inkoopsprijs. Waar moest de oude man en zijn gezin dan van leven ? Laten ze dan naar een bank gaan, of naar de Lommerd. Ze dachten zeker, dat hij goud er aan verdiende. Al kocht hij ’t voor een krats, dan kon hij er nóg aan verliezen. Verleden week nog had-ie verloren, dik verloren, aan dat mamzer van den Heiligen Weg, dien hoerendop !
O, wat een mamzer was dat! Een Koenschstuk een ouwe man te bedriegen. Komt bij me en zegt, ’k héb een kist dassen uit Londen ontvangen, daar staat-ie in mijn winkel; ’k heb 'm nog niet opengeslagen. Daar heb je het monster en daar heb je de tactuur. Een halfzijen das van een shilling inkoop. In mijn winkel verkoop ik 'm voor een rijksdaalder . . . ’k Heb geld noodig; ’k moet een eere-schuld betalen, ’k Heb gespeeld in de Bar . . . Geef mij er voor wat je kwijt wilt zijn. Heb ik ’m zoo twee bankies van vijf en twintig gulden in zijn hand gegeven voor de kist . . . ongezien. Ben ik thuis gekommen, is de kist vol geweest met ouwe stropdassies ... O, wat een mamzer om een oud man, die voor een groot gezin heeft te sappelen, zóo te bedriegen . . , Hoe komt men aan de slech-