trilde rond. De voldane gasten, wèl in de stemming:, juichten den goochelaar toe.
Nathan verdween met een buiging, nam handig zijn geredde pop mede, legde hem voorzichtig weg, achter onder het plankier.
Toen ging hij naar de familie Zadoks, arm in arm met Goudsmit, beiden, hoewel ze weinig gedronken hadden, toch overmoedig als beschonkenen en vlak voor de Zadoksen begonnen te zingen: «Frèss’ es ’raus. Frèss’ es raus !»
luffrouw Zadoks had angstig naar heur tasch gevoeld: nu voelde zij haar hand kleverig, tilde de tasch op, bemerkte de tweede poets, die Nathan haar gebakken had.
«O wat een mamzer . . . o wat een rnamzer!» riep ze uit «Mijn heele rok bedorven, mijn zijden rok bedorven... de koors zal je krijgen . . . bèn jij een ceremoniemeester? . . . Een «beize kri > zal je snijen ! . . .
Maar onverstoorbaar dansten de twee voor haar. zingend het: «Eress es 'raus!»
Eén van de jongens, die al te veel zich had volgestopt, was stil geworden, hing met een geel gezicht tegen de leuning van zijn stoel. Opeens hikte zijn borst op en een golf braaksel spoot uit zijn keel in de richting van de twee zangers.
«Lekker» zei juffrouw Zadoks. «Dat heb je an me verdiend !»
«Ze hebben zich zoo overvréten dat ze het uitkotsen 1» zei Nathan. nijdig omdat een vlek braaksel tegen zijn pantalon was gespat. Maar al weer vroolijk, arm in arm met Goudsmit. wandelden ze samen naar ‘t podium om de papier maché voeten voor de Kneipp-kur in gereedheid te brengen.
Een kellner kwam naar David De Leeuw en reikte hem een bezoedeld briefje over.
«Wat is dat?»
«Er wordt antwoord gewacht ...»
«David brak het briefje open, ontstelde.
«Laat die mijnheer binnenkomen.»
«Hij wil niet ...»
«Een oogenblikje vader, ik ben dadelijk terug... Ricardi.. -laat nu de kinderen beginnen . . . 't wordt anders te laat voor vader en moeder ...»