137
Hirschfeld zag de Leeuw kwaad aan. Wat bezielde De Leeuw om dien potjeskoopman verstandiger te maken. Hij zou er zoo’n pleizier in gehad hebben, om vanavond die rooie broek boven het nieuwe zaakje te zien bengelen.
Toen ze samen weer buiten waren, verweet Hirschfeld dan ook De Leeuw, die hij de roode broek niet bij de Korrelbije had gelaten. Maar De Leeuw antwoordde hem geërgerd, dat hij er niet van hield opzettelijk een eenvoudige man belachelijk te laten worden. Hij verzweeg, dat hij zich eenigszins verplicht gevoelde aan Vlissingen, die hem zoo dikwijls geld voorschoot.
„Treesje blijft lang weg, vrouw”, zei Vlissingen, toen zij om half twee nog niet thuis was. Dat gebeurt anders nooit.”
,,Ze zal voor 't laatst nog wat langer moeten blijven.”
,,Ja, maar tegen etenstijd moet ze toch thuis zijn.”
Hij liep onrustig van het opkamertje naar het winkeltje en weer terug.
,,De blommen moeten ook weer begoten wordeu. Zij heeft er zoo’n gietertje voor, waarin ze blaast, 't Is goed van een dag. Als je ze niet frisch houdt, is zoo t oog er af. . .”
,.Begiet jij ze dan . . .”
,,Dan moet ik ze eerst van hun plaats krijgen. En hoe kan ik ze er dan weer zoo inzetten . . . Dat kan zij alléén . . . Als ze maar een uur van huis is, voel je al hoe je haar mist. . .” Om twee uur gingen ze alléén aan de overzijde eten. De andere kinderen waren boven den bloemenwinkel in de achterkamer aan 't spelen, aten wat later.
,,Als ze er straks niet is, ga ik haar zelve in Haarlem halen. Wie weet of zij geen ongeluk gekregen heeft . . ."
,.Eet je geen rijst? . . .”
„Neen. de brokken blijven mij in de keel zitten . . . Kom. . . ik stap op . . . ik kan tenminste naar het station gaan . . . Blijf jij in den winkel oppassen, vrouw . . .”
Hij zette zijn hoed op en liep ongerust de deur uit . . . Hij wilde eerst op ’t Rokin de tram nemen maar bedacht, dat hij, wat harder loopend, den trein toch wel kon halen en ’t geld voor ’t kaartje in zijn zak hield. Op ’t Damrak bleet hij opeens staan . . . Had hij goed gezien ? . . . Daar kwam