sechs-und-sechzig durch Schlesiën marschirt. . . Krepieren solist du, Ausreisser!»
Harry Hirschfeld had den tweeden dag al een plaats als Zondags-kelner in een pleiziertuin in de Plantage. Den eersten dag verdiende hij aan fooien een gulden en hij bracht een zakdoek vol overgeschoten eten mede voor Lothar. Harry' at er niet van omdat het niet volgens den ritus was klaargemaakt en terwijl de uitgehongerde Richter de kliekjes en halve broodjes met ham of worst verorberde, stilde Hirschfeld zijn honger met oudbakken wittebrood.
Hirschfeld had goed opgepast. Hij was vast kelner geworden. Toen had hij genoeg gespaard om, door een brouwerij geholpen, een klein bierhuisje te openen. Maar hij was daar niet voor geschikt geweest. Zóó zou hij nooit tot welvaart komen. Wie geld wilde maken, moest het in ’t groot verdienen. Lothar Richter, die al die jaren was blijven leven in 't herbergje, een kleinigheid verdienend met ’t schrijven van adressen en het maken van coupletten en gelegenheidsgedichten, kreeg in dien tijd een erfenisje. Het was eigenlijk een groote erfenis geweest, maar bloedverwanten, onder het mom van bestraffing van den deserteur, maakten gebruik van diens rechtloosheid in zijn vaderland en zonden hem een tiende deel van het bedrag.
Voor vijfhonderd mark, zij rekenden nog steeds met marken, schuw voor het groote waardebedrag van den duren gulden, had Lothar Richter het verloopen bierhuisje van Harry Hirschfeld gekocht. En van dien tijd ging het goed.
Richter had pleizier in de zaak. Hij dronk braaf mee. zong s avonds Duitsche liederen, zichzelf begeleidend op een cither en wist een kellnerin uit het Franziskanerbrau, Elly Potofsky tot zijn vriendin te maken. Zij kwam in 't zaakje, een flinke, mooie, slanke blondine, een van die moedige, knappe Duitsche vrouwen, die de wereld ingaan en de wereld trotseeren, hard en moeielijk werk doende in het Duitsche bierhuis, van eiken man een grof woord, een onkiesche aanmerking, een flauwiteit verdragend en beloond met een fooi, maar inzichzelf zich bewarend voor haar Schatz, trouw en kuisch met ontzagwekkend trouwheid, omdat ze bleef alleen te midden van zooveel verleiding. Zij waren er in ’t bierhuis een restaurant bijbegonnen. Elly, uit-
Kal verst raat.
8