97
drukte hij haar vinger . . . Het puntje van den doorn stipte even zwart op. Met zijn nagels pakte hij het vast . . . pikte het er uit. . . Toen drukte hij, tot er een pareltje bloed opwelde.
«Zoo ... nu je zakdoek er om ...»
«Dank u,> zei ze met een lach in haar goudgroene oogen.
Hij wilde een kus vragen, maar verzette zich tegen den aandrang, sprong rechtop, zette zijn borst vooruit, liep nu ver met het hoofd boven haar, stevig stappend als zette hij zich tegen de nieuwe smart in, die in zijn leven gekomen was.
«Wat loopt u gauw. . . En wat neemt u een stappen. . .»
Ze keek naar hem op, zag in zijn oogen, in zijn bruine oogen, welks oogleden onder de al grijzende wenkbrauwen rimpelig opgehouden waren, een ongewone glimming.
«Nu moet u mij toch eens zeggen, waaraan u daarnet, toen u zoo hard ging loopen, dacht?»
«Ik?»
«ja, u. Ik zie altijd dadelijk, wanneer u aan het denken bent. Dan is er zoo iets vreemds in uw gezicht. Waaraan ik het zie, weet ik niet precies . . . kom . . . wees niet zoo treurig. . .»
Zij duwde haar ruiker wat omhoog, spelenderwijs tegen zijn baard aan, zoodat hij de toppen der bladeren langs zijn wang voelde kriebelen.
«Vandaag heb ik ruikers opmaken geleerd. . . Ze noemen zoo’n witte tuut een manchet. En dan eerst midden in een groote bloem uitstekend en daar om werken ze een ring van kleinere bloemen en dan weer groen en aan de randen opvullen met rozen van één kleur.»
Hij was bekoord door 't kinderachtige van ‘t opgezegde leerlesje, maar dadelijk, denkend aan het slechte onderwijs, zei hij smadelijk :
«Ze weten er wat van ! Prutsers zijn het... Bloemverknoeiers...»
«Ja, ’t is wel zonde om in al die mooie bloemen ijzerdraden te steken om ze öp te houden, 't Was mij soms nét of ik een moord dee . . . Gek toch hè?... ’t Is toch maar een bloem . . . Zoo een dine zonder gevoel! . . .
o o
«Zonder gevoel? Een bloem zonder gevoelt... Dacht jij dat een bloem zonder gevoel was ? . . .
Hij stond stil op den weg, trok uit haar ruiker een ontplooide
Kal verst raat.
7