139
moest tooneelspcelster worden. Dat ze dat niet eerder had geweten. Zij was actrice, door en door. Haar heele leven was tooneelspelen geweest. Zij voelde zich alleen gelukkig, als zij een rol kon spelen in het leven. Maar dat was maar surrogaat geweest. Het echte was, zooals die kleine actrice vanavond, je geheel te kunnen uitstallen, goed, fèl te prikkelen, de mannen gèk en de vrouwen jaloers te maken, opspraak te verwekken, in de couranten te staan, ruikers te ontvangen en toegejubeld te worden en zelve daarbij ijskoud te blijven en door ie koelheid te heerschen. Het tooneel, dat was je ware presenteerblaadje. Daar vond je een anderen kring om je heen dan een pension-bevolking en andere triomfen waren daar te behalen, dan bij een Geldersch boersch lummeltje, die zijn leven wou wijden aan de foezelstokcrij en zijn burger-madammige moeder.
Zou ze onder haar eigen naam gaan ? Douairière de Clermont? Neen, dat klonk te ouwelijk, te zwaar-op-de-hand. Ze zou een nom de guerre kiezen. Heerlijk, onder een anderen naam te leven. Het zou zijn alsof je een ander mensch waart en zoo langzamerhand kon dan wel doorlekken, dat ze een voorname dame met een adelijken naam was, met groot fortuin, die zich alleen aan het tooneel had verbonden om de kunst te dienen.
Zij lag op bed namen te verzinnen. Viviane Redmond, Rosalinde, Myosotis, Cadrine, Valancia, Artemisa Karèn, Nadedzja Walewska....
Zij fantaiseerde namen, ciroomde zich in de namen in als waren zij van personen, overwoog den klank, het gehalte, den indruk. Ten laatste bleef zij denken