XII.
Aan het eind van de week kon Leonard de huur betalen en zijn eereschuld afdoen en hij had ruim geld om te spelen; ook won hij weer, maar Adrienne ging niet meer mee naar de speelzaal.
,,Neen,” zei ze als hij haar er om smeekte mee te gaan, ,,ik ben bijgeloovig. Zoodra ik achter je sta, verlies jij weer.”
„Maar atti .... je zult je zoo vervelen hier ’s middags alleen.”
„Heelemaal niet .... ’t is hier immers zoo mooi. Zoo een heerlijke natuur, en ik moet veei wandelen, want ik word in de laatste tijden zoo gezet.”
Het bedrag van haar kapitaal was Leonard zeer meegevallen. Ze had veertigduizend francs uit Holland laten komen en het scheen, dat zij nog meer bezat.
Hij had herhaalde malen neiging gevoeld haar te vragen, hoe veel zij in ’t geheel rijk was, maar hij durfde niet goed. Vroeger zou het hem verwonderd hebben, dat zij een aardig kapitaaltje bezat en