AANKOMST. 93
’r Naast wéér ’n tafel met ’n lamp en verlichte, lachende gezichten — ’n koffiepot en koppen en brood...
En ’r naast...
Je houdt ’t niet uit. Je oogen zien niéts meer. ft Wordt ’n gele, vlammende warreling, ’n rossig gestreep, ’n dierlijk kleurenrumoer. Door je hersens springen, cancaneeren de kamertjes, de lampen, de potten, de pannen, de gelaten. Je zou nog wel willen, geboeid, gestriemd, gedreven, je zou kamertje voor kamertje willen bezien, beluistren, betasten, aarzlend of ’t wel leeft, geen saterende droom is — maar je kan ’t niet meer. Raderloos-monotoon, monotoon van kleur, vorm, schijn, holt ’t voorbij — de roode ramen vervlekken, de lampen vloeien wijd uit, de gezichten verbollen, verlengen, de muren verschemeren tot een verstikkende, gore, aanzwellende massa.
Dit is de poort eener stad — de onbekende allee, door welke wij trekken, om ons eigen geel-belicht kamertje op te zoeken. En dit — als ’k ’n momentje op den kouden grond mag philosopheeren — dringt ons met eene bizarre, pijnigende kracht, sterker dan éénige beschouwing, het sentiment op van ste-den-vreugde, steden-dorheid, steden-jammer, steden-desolatie.
Kamertje naast kamertje, gesepareerd door 'n smal éensteensmuurtje, leven ze d’r eigen leventje, d’r eigen smartjes, d’r eigen zorgjes, d’r eigen nukjes, d’r eigen ikjes.
In ’n geel-belicht kamertje kan ’n lijk liggen — dan zeggen ze achter of boven of onder ’t muurtje: die is dood — en gordijntjes dalen.
Ze bepraten, belasteren, bekijven, bezaniken mekaar, elk voor zich bij ’t éigen lampje — kort-ge-voelig of ongevoelig voor andermans intérieurtje —