„Wat schéélt jou toch Piet?” —, riep de soubrette van uit den anderen hoek: „is je wat gebeurd ?” Piet zal stil en hangrig, den kraag hoog toegeknoopt om den vetten hals, het gladde komiekengezicht zorgvol en zwaar van verveling.
„Niks,” gromde hij. De spoorwagen dreunde geweldig. De Salon-athleet Oliveira, die zich „the wonderful Nelson” noemde, sliep naast drie dames van het Tyroler Zangterzet; de regisseur zes-en-^estigste op een reisdeken met Herr Schön van het Pantomime-troepje, met Bombag den liedjeszanger en met Boontje, den chef van de muzikanten.
Ze waren op weg naar een groote provincie-stad. In den coupé er naast zaten de anderen.
„Nou Piet, lékker ben je niet!” —, riep Bombag, de zanger: „zeker katterig van vannacht!”
Piet antwoordde niet. De lippen bolden binnenwaarts in het gladgeschoren, ronde gezicht.
„’n Haring!” —, meende Boontje.
„Hij het ruzie met z’n vrouw gehad,” lachte de regisseur.
„Ach klés niet!”, zei Piet, het hoofd in den hoek van den wagen leggend, doende alsof hij ging slapen.